Sint-Laureins : Rijmen en dichten, zonder zijn gat op te lichten...

In de periode tussen de twee wereldoorlogen werd er door de jongeren bij het uitgaan niet alleen gezongen maar was er wel altijd ook één of andere lolbroek bij die goed ter tale was, en steeds bereid met veel branie het woord te nemen. Er waren dan ook niet alleen volkse liedjes, maar ook een heel arsenaal rijmelarijen beschikbaar, sommige heel onschuldig, andere dubbelzinnig, de ene al aangebrander of volgens de goegemeente al verderfelijker, dan de andere !
De radio was nog maar in zijn embryonaal stadium en van platen, cd's, cassettes, disc's was geen sprake, om nog maar te zwijgen van een USB-stick, een MP3-speler, streaming-radio of wat schrikbarends het digitale tijdperk ons nog zal brengen ! Het enige wat de jeugd kon bijhouden was een schriftje, een liedekensboekje, waar ze naarstig alle volkse liedjes en gedichten in neerpenden of in potlood neerkrabbelden. Of ze kochten met hun spaarcenten al eens een tekstblaadje van een straatzanger zoals Tamboer, op een jaarmarkt, een kermis of gewoon na de Zondagse mis, waarin de gebeurtenissen van de voorbije weken met het nodige sentiment werden beschreven.
Een aantal teksten die ik herhaalde malen gehoord heb, nog tot in de vijftiger jaren, zelf nog uit het hoofd heb gekend, vond ik gelukkig nog terug in zo een schriftje, een cahier vol liedjes en gedichten vlijtig genoteerd door mijn moeder Maria Maeyens, want ondertussen was die herinnering stilaan vervaagd.
Zo ging het onder andere over Tone, die op sterven lag en ook over Tiest, die naar het leger moest. Hier volgen de lotgevallen van deze laatste :

In de tijd der patriotten                       Jan, voorziende Tiest zijn daden
Toen er oorlog was ontstaan               Naait dan, volgens zijn verzoek,
Moest het mansvolk zonder loten       Deze plaat met sterke draden
Meestendeels te strijden gaan             Juist van achter op zijn broek
Zeker Tiest moest ook vertrekken      Tiest vertrekt, na korte dagen
Schoon hij nooit in ’t oorlogsvuur      Komt de vijand op hen af
Enen sabel had zien trekken               Tiest kroop achter struik en hagen
En dat stond hem bliksems zuur         Als hij hoorde pief-poef-paf
Hij kon er niet afgeraken                    Bang op 't laatste als een vogel
En na lang en veel beraad                   Koos hij ras het hazenpad
Liet zich Tiest heel spoedig maken    Onder 't lopen treft een kogel
Ene grote koperen plaat                      Vlak van achter op zijn gat
Jan de snijder werd geroepen             Hemel ! roept hij, wondere stukken
Tiest zei: "Meester 't gaat er wreed    Tastende naar zijne plaats
'k Moet vertrekken naar de troepen    Dat wil nu precies wel lukken
Maak algauw een pak gereed"            Dat mijn harnas daar nu staat
"Op het hert of wat er nevens             Waarlijk, sprak hij op het leste
Moet die plaat gevestigd zijn ?"         Toen hij wat bedaarder  werd
Jan zag wel aan Tiest zijn beven        Jan de snijder wist het beste
Waar hij moest geharnast zijn !          Waar de plaats was van mijn hert !

Een graag geziene gast die steeds zorgde voor leute en plezier was Prudent De Geeter geboren in 1904 in Eede en later in Kaprijke gehuwd in 1931 met Marietje Pieters. Hij overleed te Sint-Laureins in 1968 op de leeftijd van 63 jaar. Hij was een uitstekend muzikant en getalenteerd toneelspeler. Onverbeterlijk was zijn voordracht van de begijntjes, waarmee hij gegarandeerd steeds bijval oogstte bij gezellige onderonsjes en op feesten !


Van 't Begijntje.

Achtbre dames ende heren                     Wel, mijn kind, zo zei de paster,
Met permissie, 'k kom u leren                Wat zoudt gij hier al gepaster
Wat er van de... scheten is                      Kunnen doen dan met veel leed
Ja... 't is ook een wetenis !                      't Kwaad 't herstellen dat gij deed !
Scheetabundus, groot geleerde               Daarom, met uw beste geurkes
In de schetenkunst, beweerde                 Moet gij voorgaan de maseurkes
Dat er juist vier soorten zijn:                  Als 't welriekend wierookvat
Kort en lang en grof en fijn.                   Ga in vrede, en doe gij dat.
De eerste, zei die hooggeleerde,             Kappelijntje miek zijn kruisken
Horen de soldaat te peerde                      Sloot zich neerstig in zijn kluisken
Hij heeft immers niet veel tijd                Om te sparen tot het had
Als hij dapper doorerijdt.                        Wierook, heel een wierookvat.
En die tweede soort, die lange                't Maakte dan zijn vuurpot veerdig
Zijn van mensen die, wat bange             Om te branden voor 't Eerweerdig.
Maken dat 't men niet en hoort               't Nam wat beste bakkerskool
Schoon het evenvele stoort...                  En 't blies heel zijn kaakskens vol.
En die grove, wel, die komen,                En welhaast 't welriekend vuurtje
Zonder ommezien of schromen,             't Stoorde heel het stil gebuurtje
Van de dikke kaasboerin                         En toen nu de mis begon
Vrij en vrank de wereld in.                     Liep het al wat 't lopen kon.
En die laatste nu, die fijntjes                  En het ging van voor in 't rotje
Moet ge 't vragen ? De Begijntjes          Der maseurkes met zijn potje
Hebben daar de knepen van                   Langs den middengang der kerk,
Niemand die 't zo fijntjes kan.               Makende zijn wierookwerk.
Maar van zuster Kappelijntje,                En 't bleef staan soms en 't bedeelde
Was het nu precies geen fijntje              Al de vaandels en de beelden
En dat is 't vertellen waard,                    Die 't ontmoette, met een zwier
Want ik weet het van goê paart.             Van zijn walmend wierookvier.
't Zat te luisteren, vol van gratie             De maseurkes, achterdrevelend
Naar des pastoors predicatie                  Keken aardig op al prevelend
Over d'Heiligheid van God,                   Van te gaan naar grootjufvrouw
Toen het liet een grote prot !...               Die dat al wel effnen zou.
Peis maar dat d'ontsteltenis groot was   Zo, met veel omzichtigheden,
En dat Kappelijntje rood was                 Kappelijntje werd gebeden
Heel het kerkje keek haar aan...             Te verschijnen voor 't gerecht,
Ach ! Wat had het toch gedaan !            En met engeleneenvoud 't zegt :
Maar, bij duistren avondstonde              Grootjufvrouwe, wel toch, weet-je
Ging het biechten zijne zonde                Da's gekomen van mijn scheetje...
En vroeg ereboete klaar,
Penitencie groot en zwaar...



Geen opmerkingen:

Een reactie posten